Frans Gunnink

geboren 24 oktober 1923 in Kampen, overleden 2 december 1946 bij Padang (Oedjoeng Karang).

 

Het is 15 oktober 1945:
Op de Nieuwe Markt staan de militairen, die zich na het einde van de oorlog als vrijwilliger opgegeven hebben voor het nieuw te vormen leger.
Het is de bedoeling dat ze de Amerikaanse bezettingsmacht zullen helpen in Duitsland.

De jongens uit Kampen en omgeving hebben hun opleiding gevolgd in Ermelo.
Zij maken deel uit van het Veluwe bataljon. Door de situatie in Indië wordt de bestemming niet Duitsland maar Indië.
Het bataljon neemt in Kampen afscheid van de bevolking. Op de Nieuwe Markt staat een honderdtal Kamper vrijwilligers.
Op de voorste rij staat Frans Gunnink in het gelid. Hij is de enige vrijwilliger zonder baret.
De baretten waren of te groot of te klein en ja als ze dan niet goed passen zet je maar geen baret op!

Frans Gunnink

 

Het verzet

 

Daan, de jongste broer van Frans, beschrijft Frans als een avontuurlijke, ondernemende en technisch begaafde jongeman. Tijdens de Duitse bezetting laat Frans zien dat hij inderdaad avontuurlijk en ondernemend is.
Samen met zijn goede vriend Gerard van der Sluis is hij verantwoordelijk voor het monteren van de nationale driekleur aan de hoge schoorsteen van de melkfabriek op 1 januari 1941. Met heel veel moeite weten de Duitsers die vlag naar beneden te halen!
Frans is ook actief in de ondergrondse. Hij is in de oorlog chauffeur op de Ford bestelwagen van hun bedrijf (Kanis en Gunnink). Deze bestelwagen wordt gevorderd door de Duitsers, maar mag als Rode Kruisambulance gebruikt worden. Voorwaarde is wel dat Frans een Ausweis krijgt, zodat hij niet naar Duitsland hoeft om daar te werken.
Frans is een verwoed knutselaar. Machines en motoren worden uit elkaar gehaald en feilloos weer in elkaar gezet. Hij heeft een opleiding aan de machinistenschool in Zwolle gevolgd.
Toen in 1944 een Amerikaanse Boeing B-17 G een noodlanding moest maken tussen Urk en Nagele smokkelde hij de onderdelen van de motor in zijn ambulance mee naar Kampen.
Als hij met zijn ambulance in de Noord Oost polder was nam hij, verstopt onder een lading verbandmiddelen, die onderdelen mee. Hij had ze dan bij een eerder bezoek aan de polder in het riet verstopt. De bommenwerper had een bemanning van 10 personen. Negen werden krijgsgevangen gemaakt en een van hen-de navigator Lions-wist te ontsnappen, maar werd later gepakt. De namen een aantal van de bemanningsleden zijn nogal opvallend: Moses, Fleischbein en Fischer. De Boeing heeft de naam Dinah Might meegekregen.
De vliegtuigmotor werd door Frans in elkaar gezet in het lege fabrieksgebouw aan de IJsseldijk. Nadat hij de motor aan de muur had bevestigd en hem voorzien had van een beetje benzine, die hij van de Canadese bevrijders had gebietst, brak het grote moment aan. Zou de motor het doen?
Ja dus! Maar er trokken wel scheuren in de muren.

Ik probeer nu via de verhalen, brieven en publicaties die over deze periode verschenen zijn een beeld te schetsen van wat Frans en andere 1-8 R.I. vrijwilligers in Indië meemaakten.


De Haantjes

 

Zoals veel andere jongens, die in het verzet gezeten hadden meldde ook Frans zich aan bij het Veluwe bataljon in Ermelo.
Het was daar in de kazerne nogal behelpen. Uniformen en wapens waren er niet. Er werd geoefend in burgerkleding en de wapens, die ze in hun strijd tegen de Duitsers hadden gebruikt werden meegenomen. Het was een allegaartje, maar langzamerhand werden de meest noodzakelijke zaken bij elkaar gescharreld.
Nadat hun training op de Ermelose hei er opzat werd op de Nieuwe Markt in Kampen afscheid genomen van familie, vrienden en bekenden.

Via Calais (16 okt. 1945) gaat de reis naar Engeland.
In Engeland (Aldershot) is de stemming uitstekend en het eten best. Ze denken dat ze zo’n anderhalve week in Aldershot zullen moeten blijven.
Op 26 oktober vertrekken ze inderdaad: via Southampton gaan ze met de ‘Nieuw Amsterdam’ naar Indië.
Er zijn 3500 soldaten en 1500 Marva-meisjes aan boord.
Een van hen vertelt dat Engeland een mooi land is, maar dat hij er toch niet wil wonen.
‘Het is hier altijd regen, de meisjes zijn lelijk geverfd’.

De ‘Nieuw Amsterdam’ is op 3 november bij Port Said. In het Suezkanaal mogen ze niet overdwars over het schip lopen. Door het slingeren zou de boot een klein beetje uit de koers kunnen lopen en veel ruimte was er niet in het kanaal.
Er wordt een inkoopregeling voor de kantine ingesteld: elk bataljon krijgt een dag de gelegenheid iets in te slaan, vliegende vissen en stinkende zweetvoeten in de hut.
Op 12 nov. zijn ze nog optimistisch: ze denken dat ze zeer binnenkort op Java zullen aankomen.

 

Malakka


Maar op 18 nov. laten ze het anker vallen voor Penang (aan de Oostkust van Malakka).

Het blijkt dat ze niet verder mogen, omdat de Engelsen (lord Mountbatten is hun opperbevelhebber) geen Nederlandse soldaten in Indië willen hebben.
Pas om 7 uur ’s avonds mogen ze aan wal. Het bataljon van de vrijwilligers van 1-8 R.I. telt dan 801 man. De eerste nacht slapen ze in een varkensstal.
De volgende morgen gaan ze met de trein het binnenland in. Het laatste stuk leggen ze af met vrachtwagens. Uiteindelijk worden ze ondergebracht in een voormalig Japans kamp.
Het wordt op Malakka een eentonig verblijf: om 6 uur reveille, 7 uur appèl, tussen 6 en 8 eten, dienst tot 12 uur, om 1 uur eten, van 2 tot 3.30 verplicht rusten en dan weer dienst van 3.30 tot 5 uur.
Ze hopen gauw naar Indië te gaan. Ze vervelen zich nogal. Er wordt ’s middags gevist of op apen gejaagd, maar daarvoor waren ze toch niet gekomen?
Hoewel: de inlandse bevolking is ze daar dankbaar voor, want de apen vernielen de oogst!

Vanwege de kerst mogen ze eind december een telegram naar huis sturen, maar dat loopt nogal in de papieren.
Het kost 15-20 dollar, maar dat is ze toch wel een beetje teveel. Ze blijven verlangen naar actie: ‘Misschien vertrekken we over een maand naar Indië’.
Op Malakka bezoeken ze een kampong waar ze een hindoe ceremonie meemaken.

De brieven uit het thuisland zijn wel erg lang onderweg (soms wel een maand).
Begin 1946 geven een paar Kampenaren aan dat ze erg graag willen overstappen naar de Brencarriers of de Pantserwagens.

Soms worden de carriers voorzien van kippengaas, zodat er geen handgranaten ingegooid kunnen worden.
De bepantsering was niet dik: voorkant 12 mm, zijkant 6 mm en een open ‘bak’.
Maar toch goede bescherming bij geweervuur. Met de rupsen waren de vaak slechte wegen goed te berijden en zeker in het terrein, wat vaak nodig was.

Een carrier weegt 4 ton en haalt op een redelijke weg wel 50 km/uur en in het terrein een snelheid van 15 à 20 km.

Het thuisfront was erg actief. De vereniging ‘De Karel Doorman’ organiseerde o.a. pakmiddagen voor de verzending van pakjes en er worden opnames gemaakt voor gesproken brieven (op grammofoonplaten).
In de Kamper Krant staan veel artikelen over de belevenissen van ‘onze jongens’. In bijna elke krant kom je wel het kopje Indië tegen.


De Rubberpost

 

Ook op Malakka verschijnt een blaadje dat de soldaten op de hoogte houdt van het ‘nieuws’. Aanvankelijk is dat de ‘Rubberpost’.
Veel mededelingen, sportnieuws, gerijmde onzin, maar ook ernstiger zaken als de namen van gesneuvelde/gewonde kameraden.
Alles gemaakt op een oude typemachine en uitgedraaid op een aftandse stencilmachine.
In de ‘muskietjes’ worden vaak opmerkingen gemaakt als: ‘Wist u dat bij 3I-1-8I een autobusdienst zeer succesvol zou zijn? Dit vanwege de vaste route van barak naar wc’.
Of ‘Wist u dat de SMI van de 4e compagnie een handel heeft in tweedehands schoenen?’
De redactie was in handen van ds. Bleeker en W.G. Meyers.
Op Java wordt de naam ‘Rubberpost’ vervangen door ‘Sawahpost’ (maart ’46). Deze naam past beter bij het gebied waar zij dan actief zijn.
Lucy Peperzak van de ‘Welfare’ treedt dan toe tot de redactie.
Eind febr. 1946
Afgekeurde jongens gaan mogelijk terug naar Nederland. Het zijn sergeant Rozendaal en soldaat Mol. Twee van de drie voorlopig afgekeurde Kampenaren.
In maart 1946
is het dan zover, ze gaan naar Java: vertrek met vrachtauto’s, verder met de trein naar Penang en daarna gaat de reis verder met een Engelse vrachtschuit. Ze slapen in het voorruim. Ze hebben nog steeds de kakikleurige woestijnuniformen aan, die in de jungle nogal opvallen.

1 8-R.I. wordt ondergebracht in een van de buitenwijken van Batavia ‘Mr. Cornelis’.
De mannen van het bataljon zijn getuige van de meest verschrikkelijke dingen: gemartelde mannen, doodgeschoten kinderen en vermoorde vrouwen. Ook moeten ze steeds de wapens paraat hebben als ze in Batavia rondlopen.
1-8 R.I. is een positieve uitzondering voor wat betreft het sexuele gedrag. Bij een aantal andere bataljons ligt dat wel anders. Er zijn nogal wat ‘Venerische’ ziekten’.

Na een maand op Java zitten ze al midden in de gevechten: Hinderlagen door de extremisten er wordt met handgranaten gegooid, de eerste soldaten sneuvelen.
Toch proberen de soldaten het thuisfront gerust te stellen: ‘Het zijn maar gevechtjes! Het gevaar, dat is niet zo groot’.


De Mammouth


Er schort nogal het een en ander aan de uitrusting van het bataljon. Het is behelpen met het materiaal. Maar ze zijn vindingrijk! Ze knappen een oude Hollandse pantserwagen op, die ze op het autokerkhof vinden.
Begin mei zijn de pantserwagens bijna klaar. De vaste bemanning is ingedeeld.

vliegtuigbom

Hun grootste/zwaarste wagen is (7 ton). Die krijgt dan ook de naam Mammouth.

Niet veel later rijdt die wagen op een Engelse Antitank mijn. Het voorstuk van de wagen wordt ongeveer een meter opgegooid. Het voorwiel was weggeslagen, zodat ze iet of wat scheef op de weg stonden. Met veel moeite werd de Mammouth naar huis gesleept.
Frans Gunnink is een van de bemanningsleden. Hij kruipt onder de verkenningswagen om de schade op te nemen. Onder de wagen ontdekt hij nog een tweede landmijn. Hij graaft die uit en vervolgens laten de pioniers de mijn ontploffen.

Opm.: Het onderhoudsboekje van Frans is later met zijn persoonlijke bezittingen teruggekomen. Daarin staat (in keurig handschrift) vermeld
‘dat de aard der herstelwerkzaamheden het volgende betrof: het vernieuwen van de vooras, remkabels en dashboard, soldeeren van de radiateur’.
De verwerkte onderdelen worden ook opgesomd: vooras compl., amp. en oliemeter, 2 wielen met band. Als datum wordt 3 juni aangegeven.

Sommige 1 8-R.I. vrijwilligers worden bevorderd. Frans wordt per 1-8-1946 korporaal.

Ze maken zich zorgen over de stemming in Nederland.
‘Wat is toch eigenlijk de Nederlandse Bond voor Militairen, ik las in de krant, dat ze protestvergadering gehouden hadden, omdat dienstplichtigen naar Indië moesten’.

Het Veluwe bataljon krijgt drie scoutcars, verwaarloosde beestjes!

In augustus 1946
‘Is de stemming in Holland nog erg anti-Indisch? Is het werkelijk waar dat ze dienstplichtigen moeten dwingen om dienst te nemen?’

In september
ontvangen de Kampenaren grammofoonplaten van het thuisfront.
Gerrit v.d. Drift, Frans en Piet Brugman gaan naar een Chinese fietsenmaker. Die had een oude grammofoon, met veel moeite werd het ding op gang gebracht en hoorden we de ons zo vertrouwde stemmen uit Nederland.

oktober 1946
Er doen geruchten de ronde in Indië dat heel Holland staakt in verband met de vertrekkende troepen naar Nederlands Indië?

‘We hoorden dat gisteren de eerste dienstplichtigen in Priok zijn aangekomen. We hebben ze nog niet gesproken, maar volgens sommige jongens van ons, hadden ze al ruzie gehad met de vrijwilligers’.

telegram van Frans'oom

In november 1946 ‘zitten ze eindelijk op Sumatra. Ze hebben jammer genoeg de pantserwagen moeten achterlaten.
Ze ankeren in ‘Emmahaven’ de haven van Padang en moeten nog zo’n 5 kilometer naar Padang rijden.
De bevolking is niet bepaald blij met hun komst: ze zien donkere, dreigende gezichten, maar ook veel Indonesiërs die blij zijn met hun komst.

Op sinterklaasavond kwam dit telegram via oom Ab (broer van mevrouw Gunnink). Hij is op Java hoofd van de medische dienst. Het telegram deed er drie dagen over!

Verslag van de gebeurtenissen rond 2 dec. te Padang

Op maandag is er druk vrachtverkeer. Die zaterdag, was een boot aangekomen in Emmahaven.
Er moest in konvooi gereden worden omdat de vrachtwagens beschoten werden. De bestuurders waren niet allemaal te vertrouwen.
Het waren chauffeurs van de Brits Indische strijdkrachten.
Die zaterdag ontbrak er bij aankomst een auto, die teruggevonden werd in een kampong.
Er waren kisten met munitie verdwenen.

Zondag 1 dec. was er geen verkeer tussen Padang en Emmahaven.
Door het TNI (het Indonesische leger) waren trekbommen geplaatst. Het waren vliegtuigbommen, met een trekmechanisme. Ze waren met een draad verbonden, dus ze konden van een afstand tot ontploffing worden gebracht.
Op maandag moesten drie carriers het konvooi begeleiden. Tussen de carriers reden de vrachtwagens.
In elke carrier bevonden zich 4 bemanningsleden.
In de eerste wagen zaten sergeant Kooiman, een chauffeur en 2 brenschutters.
In de tweede carrier korporaal Frans Gunnink en de chauffeur met twee brenschutters. Ook in de derde carrier zaten vier bemanningsleden.
Er werden twee trekbommen tot ontploffing gebracht. Het konvooi was vlakbij een brug over de rivier in de buurt van Oedjoeng-Karang. Het waren zware bommen van 100 kilo of meer.

Plattegrond van de fatale route in Padang

De gevolgen waren verschrikkelijk: sergeant Kooiman en een van de schutters waren op slag dood.
De chauffeur en de andere brenschutter (hij zette dit verslag op papier voor de familie Gunnink) waren er levend afgekomen al had de chauffeur een paar flinke scherfwonden.

De derde carrier was niet geraakt en daar vertelden ze dat de carrier met korporaal Gunnink teruggereden was naar het hospitaal in Padang, omdat Frans Gunnink zwaar gewond was en zijn brenschutter het niet overleefd had. Zijn chauffeur was ongedeerd.
Frans was gewond aan zijn linkerlies. Een scherf van de bom was door de kijkspleet van zijn zitplaats gevlogen, was tegen zijn stengun geketst en had hem verwond.
Hij stond rechtop evenals de sergeant in de eerste carrier. Ze konden zo het konvooi overzien en contact met elkaar onderhouden.
Hij geeft zijn chauffeur opdracht om terug te rijden. De chauffeur rijdt met hoge snelheid terug. Hij moet met een hand sturen en met de andere Frans ondersteunen. Het blijkt allemaal vergeefse moeite: onderweg overlijdt Frans aan zijn verwondingen.

Hij is uiteindelijk begraven op het ereveld Lewigajah in Cimahi op Java.

monument in Padang

Zijn naam staat op een monument aan de Damar St. Veteran in Padang dat is opgericht door TNI (Tentara Nasional Indonesia). Dit monument is in 1985 opgericht. Op het monument staan de namen van 50 Nederlandse militairen.
Elf van deze namen zijn van het 1-8 R.I. bataljon.
De Indonesische veteranenorganisatie wil de Nederlandse militairen die op Sumatra strijd hadden geleverd graag zien als ‘bondgenoten’.

Op het gedenkteken staat de Maleise tekst: ‘Monumen saksi kepahlawan, Padang Kota tecinta’ (Monument ter getuigenis van de heldhaftigheid in de uitverkoren stad Padang). Boven de namen van de gesneuvelden staat: ‘Nama-nama tentara sekutu yang tewas di Sumatra barat selatan agres I dan II’ (Namen van de leden van het Nederlandse leger die op Sumatra zijn gesneuveld tijdens de 1e en 2e Politionele Actie).
Het is een respectabel eerbetoon van de voormalige tegenstander.