Gerrit van de Kruisweg

geboren op 24 juli 1922 in Kampen overleden 26 juni 1946 in Soerabaja.

 

Gerrit was de vierde van vijf kinderen van groentehandelaar Willem v.d. Kruisweg en Petertje Weerdmeester.
Hij had twee oudere zusters: Jennigje en Jansje. Zijn broer Hendrik Rutger was anderhalf jaar ouder en zijn broer Jan vier jaar jonger.

Gerrits ouders

Toen de groentezaak failliet ging begon zijn vader een bakkerswinkel. Gerrit was vrachtrijder, maar hielp zijn vader ook in de bakkerij.
Tijdens de oorlog zat Gerrit in het verzet. Hij maakte deel uit van de verzetsgroep van Hilbert van Dijk.
Die verzetsgroep werd uiteindelijk opgerold door de Duitsers.

De verzetsgroep: onder Gerrit 2e van links

Een afbeelding van deze groep kreeg ik van Erwin v.d. Kruisweg. Zijn opa was de broer van Gerrit.
Gerrit en zijn vrienden waren echte A.R.P.- jongens, die op z’n zachtst gezegd nogal avontuurlijk waren aangelegd.

Bij Gerrit thuis werden wapens op zolder verstopt, die vervolgens door oma in een kinderwagen de ‘Lange brug’ over werden gebracht.

Gerrit nam evenals veel van zijn maten na de oorlog dienst als vrijwilliger. Zijn ouders en zijn verloofde, Hermina v. Asselt, waren er niet gerust op. Zijn broer, die ook wilde aanmelden werd ‘omgepraat’.

Gerrit werd ingedeeld bij de Marine. Hij vertrok op
10 juni 1945 naar Engeland. Daar vertrok hij weer op 28 juni en op 18 juli kwam hij aan in de U.S.A. Hij kreeg een opleiding van zo’n vijf maanden en vertrok

Hermina en Gerrit

met de ‘Bloemfontein’ naar Indië.
Na een verblijf op Malakka arriveerde hij eindelijk (op 10 maart) in Nederlands Indië.
Tijdens een patrouille in de omgeving van Sidoporno ten zuiden van Soerabaja werd hij ernstig gewond. Hij werd overgebracht naar Soerabaja, waar hij nog dezelfde dag in het Marinehospitaal aan zijn verwondingen overleed.
In het dagboek van korp. G. Kolleman lees ik het volgende verslag:(In dat dagboek beschrijft hij de belevenissen van de eerste Mariniersbrigade in Indië).

Op 20 juli 1946 publiceert het Kamper Dagblad zijn relaas met als onderschrift ‘Door modder en slijk tot in den dood’: ‘Wij hadden zelf geen verliezen, maar de extremisten verloren 60 man. De mariniers rukten in een razend tempo met weergaloozen moed op naar de vijandelijke stad S. Dan gebeurt dit onherroepelijke, dit onherstelbare. Er klinkt een snerpend mitrailleurvuur. Terwijl opnieuw het bevel ‘Voorwaarts’ wordt gegeven blijft een kleine droeve stoet achter. De gewonden beschermd en gedragen door hun trouwe makkers. Een bloedige tocht vangt aan in de tropische hitte. Twee volle uren lang totdat het kamp bereikt is.

Overal loert bovendien gevaar op dezen eenzamen zon doorgloeiden weg.
Radio-telefonisch is ons Peloton ter assistentie opgeroepen om de terugtocht van het gewondentransport te dekken.
Binnen het uur hebben we ze bereikt en beginnen onze beveiligingsopdracht uit te voeren.
Terwijl ik de baren met de stille, bloedende gestalten passeer, herken in een van hen mijn stadgenoot v.d. Kruisweg uit IJsselmuiden, zwaargewond in de voorste linie.
‘Er is wel hoop’ zegt de legerarts doch als we enkele dagen later, na 9 weken van ononderbroken harden frontdienst in Soerabaja een welverdiende rust genieten, bereikt ons het smartelijke bericht van zijn dood.
Een dag daarna staan we te midden van de vele vers gedolven graven van onze kameraden onder de hooge bomen van het stille kerkhof Kembang Koening

en zien zwijgend hoe de sobere kist met onze dooden kameraad onder de salvo’s van het vuurpeloton in de aarde wegzakt. ‘Rust zacht v.d. Kruisweg’ staat op het lint van onze gezamenlijke krans. In de anders zoo geharde jongensharten vindt het een diepe weerklank. Allen voelen het diepe leed, de verschrikkelijke slag, die weldra twee goede ouders zal bereiken, ginds in het verre Holland.

Er staan lijnen in de gezichten der Mariniers, nu ze beseffen, duidelijker dan anders, hoe weer een van hun makkers zijn mooie jonge leven wegschonk met weergalozen

moed voortstormend in onwankelbare trouw aan zijn eens gegeven belofte.
Negen weken lang heeft hij met ons den dood dikwijls in den oogen gekeken en juist nu de welverdiende rust aanbrak, het gevaar ging wijken, werd hij van ons weggenomen. Het moedige voorbeeld van v.d. Kruisweg wijst ons op de plicht om te volharden.
Goede ouders van onzen kameraad wij zijn te jong te onervaren om uw smart in zijn volle zwaarte te kunnen begrijpen. We hopen alleen slechts, dat ge kracht moogt vinden in het bewustzijn dat uw moedige zoon, ons steeds een lichtend voorbeeld zal zijn.
En wij……………..vergeten hem niet.

 Een in memoriam

van Gerrit zoals gepubliceerd in een van de plaatselijke kranten:

Wij ontvingen nog het volgende artikeltje ter herdenking van Gerrit van de Kruisweg.
‘Woensdagmiddag seinde Jan Kroeze, de vroegere commandant van de Kamper K.P., ons, dat Gerrit van den Kruisweg dien nacht rustig overleden was. Nadere berichten ontbreken nog. Maar uit de laatste brieven van Gerrit weten we, dat hij al weken lang aan het front in de omgeving van Soerabaja lag, zoodat we mogen aannemen, dat hij aan daar bekomen verwondingen is overleden.

Gerrit van den Kruisweg was een van den Kamper K.P.-jongens, die een jaar geleden als vrijwilliger dienst nam en werd ingedeeld bij de Eerste Mariniersbrigade. Een zijner vrienden schreef ons eenige weken geleden, dat hij niet behoorde tot de jongens, die de meeste praatjes maken, maar wel bij hen, die verdienden promotie te maken. Zulk een jongen toonde hij zich ook in den bezettingstijd. We herinneren ons hem van de Woensdagavonden, waarop we als A.R.- jongeren bij elkaar kwamen en waarop ook vaak werd gesproken over de taak, die Nederland na de bevrijding in Indië wachtte. Nooit sprak hij er toen over, dat hij van plan was daar heen te gaan, maar toen het op de daad aankwam, was hij een van de eersten, die zich meldde dan was hij vooraan! Dat bleek ook toen zijn vrienden Toon Slurink en Dick van Wijk in het huis van Hilbert van Dijk door de landwachters werden overvallen en meegevoerd. Toen trok hij terstond met enkele andere jongens hen achterna om een ontzettingspoging te wagen. Dat bleek ook , toen hij de S.D. voor was door uit de huizen van Slurink en Van Dijk alle munitie, bezwarende papieren en verder alles wat waarde had weg te sleepen’.

Verder verhaalt de schrijver, dat Gerrit uitzonderlijk kalm bleef toen zijn paard en wagen gevorderd werden en de gewonde Duitse soldaten op het stro lagen waaronder wapens verstopt zaten.

Hij vervolgt: ‘Nee bang was hij niet. Toen er de laatste weken zooveel jongens om hem heen sneuvelden en hij er zich rekenschap van gaf, dat dit ook hem kon overkomen, schreef hij: ‘De dood dreigt ieder uur, niet dat ik daar zoo bang voor ben, dat is misschien erger voor hen die achterblijven, mijn leven heb ik gericht naar God,

 die beslist over leven en dood’. Maar hij was wel bang voor sommigen die samen met hem vochten: ‘De stille angst bekruipt me om samen met hen te vechten die gedreven door zucht naar avontuur of geluk dienst hebben genomen . Hoe anders was dat bij ons (de K.P.). Je wist wat je aan de jongens had  en dat ze je in geen enkele omstandigheid alleen zouden laten. Ik geloof, dat je in de komenden strijd alleen op God kunt vertrouwen. Zoo was Gerrit van den Kruisweg zelf ook een kameraad, op wien je kon rekenen, omdat hij op God vertrouwde.’.

Opm.: Hermina trouwt later met Jan v.d. Steege uit Grafhorst.
Van haar schoonzoon Bart ter Haar krijg ik te horen dat ze haar alleen kennen als Wilhelmina Johanna van Asselt oftewel ’tante Mien’.
Ze heeft in een doos haar hele leven (ze werd 85 jaar) een kussensloop van Gerrit bewaard. Ze kreeg dat toegestuurd van Gerrit toen hij voor zijn opleiding tot marinier in Amerika was. Het sloop zat in een stoffen envelop (zie hieronder de eerste twee foto’s).

In Soerabaja bezoeken Mien en Jan (later) het graf van de 1e verloofde van Mien, Gerrit van de Kruisweg, die altijd in de herinnering van Mien is gebleven. Zij leggen dan ook bloemen bij zijn graf.